air

/ɛːr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gezicht, houding, allure; arrogantie, kapsones
    De air die veel medici zich hadden aangemeten was hem vreemd. ‘Komt u even mee naar mijn kantoor, mevrouw Van der Schaaf? ’ was een uitnodiging waarin aankomende informatie doorklonk.
  2. muziek (muziek) een liedje
  3. [C] lucht

Etymologie

* [C] uit het Engels

Uitdrukkingen

  • Zich airs gevenzich gemaakt aanstellen, zich laten dunken

Vertalingen

Engelsair, look, appearance
Fransair
DuitsHaltung
Spaansaire