almanak

mannelijk (de)/'ɑlmanɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een jaarlijkse publicatie met steeds terugkerende informatie op bepaalde gebieden, deels geordend volgens de kalender. In algemene almanakken kunnen astronomische gegevens gecombineerd worden met gegevens als de tijden van zonsopgang, zonsondergang, volle maan, getijden, maar ook dienstregelingen en openingstijden van overheidsinstellingen, feestdagen, posttarieven en weersvoorspellingen
    In de Almanak van Luik - een jaarlijkse uitgave, die zich toelegde op het voorspellen van de toekomst - had gestaan: „In april zal een grote dame, die het fortuin nu toelacht, haar laatste rol spelen.
    Al snel krijgt hij door dat de almanak een geschikt middel is om de gewone man, die nauwelijks leest, toch te informeren en te bereiken als het moet.

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsalmanac
Fransalmanach
DuitsAlmanach
Spaansalmanaque, calendario
Italiaansalmanacco
Zweedsalmanacka