angst
mannelijk (de)/ɑŋst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (psychologie) gevoel dat er onheil of gevaar dreigtMijn hart bonst van de angst.` Wanneer je angstig bent, mijn zoon, zoek dan de reden van je angst. Zoek in je hart naar iets dat je angst kan laten verdwijnen. {{Aut|Herzen, Frank`Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.
Etymologie
*Van het Oudnederlandse angust.
Vertalingen
EngelsBangnis, fear, anguish
Franspeur
DuitsBange, Bangigkeit, Angst
Spaansmiedo, temor, angustia
Italiaanspaura
Portugeesmedo, temor, pavor
Russischстрах
Poolsniepokój, strach, lęk
Deensfrygt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek