animo

/'animo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het zin hebben in
    Hij heeft daar helemaal geen animo in.
    Er was geen animo voor deze reis.
    Het digitale aanvraagloket ging vrijdag rond 10.00 uur open. De animo was zeer groot, waardoor wachttijden ontstonden. Kort na 12.00 uur was er al geen budget meer te krijgen, terwijl er nog wel mensen in de wachtrij stonden.

Etymologie

* uit het Italiaans

Vertalingen

Engelsgusto
Fransenvie
DuitsLust
Spaansánimo