ankeren

/ˈɑŋkərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, scheepvaart (inerg) (scheepvaart) het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
  2. ov, scheepvaart (ov) (scheepvaart) voor anker leggen
    Zij ankerden hun zeilboot enige tijd in een inham om wat te kunnen zwemmen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
  4. ov (ov) iets vastmaken/vastzetten met ankers

Etymologie

*Afgeleid van anker

Uitdrukkingen

  • Ergens geankerd zijnZich ergens vestigen/Zich niet gemakkelijk laten wegsturen.

Vertalingen

Engelsanchor
Fransancrer
Duitsankern, ankern, ankern
Spaansfondear, anclar
Zweedsankra