ankeren
/ˈɑŋkərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (scheepvaart) het anker laten zakken met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
- (ov) (scheepvaart) voor anker leggenZij ankerden hun zeilboot enige tijd in een inham om wat te kunnen zwemmen.
- (figuurlijk) zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
- (ov) iets vastmaken/vastzetten met ankers
Etymologie
*Afgeleid van anker
Uitdrukkingen
- Ergens geankerd zijn — Zich ergens vestigen/Zich niet gemakkelijk laten wegsturen.
Vertalingen
Engelsanchor
Fransancrer
Duitsankern, ankern, ankern
Spaansfondear, anclar
Zweedsankra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek