arm

mannelijk (de)/ˈɑrᵊm/

Wat is de betekenis van arm?

arm betekent: (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
  2. organisatiekunde (organisatiekunde) een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie
  3. dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm
  4. leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten
  5. natuurkunde (natuurkunde) de afstand van de loodrechte projectie vanuit het draaipunt van het voorwerp waarop een kracht wordt uitgeoefend op de lijn door de krachtvector
  6. geologie (geologie) afsplitsing van een rivier of zee
  7. geologie (geologie) afsplitsing van een stuk land in zee

Voorbeelden van "arm" in een zin

  • Hij zwaaide met zijn arm toen hij de aandacht van de politie wilde trekken.
  • Toen hij eindelijk vlakbij was gekomen liep ik geforceerd vrolijk met uitgestrekte armen op hem af en blokkeerde het pad zodat hij er niet langs kon.
  • Apen hebben vaak heel sterke armen zodat ze zich slingerend door de bomen kunnen bewegen.
  • Je hebt stoelen met en zonder armen.
  • Bij een hefboom geldt de volgende formule: arm x gewicht is constant aan beide zijden van het draaipunt

Etymologie

300px|thumb|right|arm

Uitdrukkingen

  • arm in arm lopengearmd lopen (met de rechterarm van de ene persoon om de linkerarm van de andere persoon)
  • de armen ter hemel heffenals uiting van verdriet of woede, om Gods hulp of wraak aan te roepen
  • de lange arm der wetde verregaande macht van de wet
  • Hij loopt met zijn ziel onder zijn arm.Hij zit met zijn ziel onder zijn arm.Hij verveelt zich, hij is verdrietig.
  • iemand een arm geveniemand aan de arm nemen, de arm ter steun aanbieden
  • iemand in de armen vliegenvol emotie iemand omarmen
  • met zijn armen over elkaar zittende onderarmen gekruist voor de borst hebbenmoedeloos zijnniets doen
  • zich uit iemands armen losrukkenzich uit iemands armen losscheurenzich met moeite, tegenzin uit iemands omhelzing losmaken

Vertalingen

Engelsarm, branch, poor
Fransbras, pauvre, pitoyable
DuitsArm, Zweig, arm
Spaansbrazo, pobre, pobre
Italiaansbraccio, povero, povera
Portugeesbraço
Russischбедный, бедный
Chinees穷, 可怜
Japans腕, うで, 貧乏
Koreaans
Turkskol, fakir, yoksul
Poolsramię, biedny, ubogi
Zweedsarm