arm
Wat is de betekenis van arm?
arm betekent: (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
Betekenis
- (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
- (organisatiekunde) een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie
- dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm
- leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten
- (natuurkunde) de afstand van de loodrechte projectie vanuit het draaipunt van het voorwerp waarop een kracht wordt uitgeoefend op de lijn door de krachtvector
- (geologie) afsplitsing van een rivier of zee
- (geologie) afsplitsing van een stuk land in zee
Voorbeelden van "arm" in een zin
- Hij zwaaide met zijn arm toen hij de aandacht van de politie wilde trekken.
- Toen hij eindelijk vlakbij was gekomen liep ik geforceerd vrolijk met uitgestrekte armen op hem af en blokkeerde het pad zodat hij er niet langs kon.
- Apen hebben vaak heel sterke armen zodat ze zich slingerend door de bomen kunnen bewegen.
- Je hebt stoelen met en zonder armen.
- Bij een hefboom geldt de volgende formule: arm x gewicht is constant aan beide zijden van het draaipunt
Betekenis en uitleg van arm
Het woord 'arm' verwijst meestal naar een gebrek aan financiële middelen of materiële rijkdom. Het kan ook gebruikt worden om te beschrijven dat iemand in een kwetsbare of minder bevoorrechte positie verkeert.
Je gebruikt 'arm' vaak in sociale en economische contexten, zoals wanneer je het hebt over mensen die moeite hebben om rond te komen. Het kan ook een gevoel van medelijden oproepen, vooral als je het hebt over kinderen of gezinnen die in armoede leven. In bredere zin kan 'arm' ook figuratief gebruikt worden om te verwijzen naar emotionele of mentale tekortkomingen.
Voorbeelden
- Na zijn ontslag moest hij zijn levensstijl drastisch aanpassen omdat hij nu arm was.
- De organisatie zet zich in voor arme gemeenschappen, waar de inwoners vaak moeite hebben om basisbehoeften te vervullen.
- Hoewel ze arm was, gaf ze altijd haar laatste centen aan mensen in nood.
Woordoorsprong
Het woord 'arm' komt van het Oudgermaanse 'armaz', wat 'behoeftig' of 'zwak' betekent. Dit geeft een idee van de historische associatie van armoede met kwetsbaarheid.
Veelgestelde vragen over arm
Wat is de betekenis van arm?
arm betekent: (anatomie) elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
Hoeveel betekenissen heeft arm?
arm heeft 7 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft arm?
arm is een mannelijk (de).
Wat zijn synoniemen van arm?
Synoniemen van arm zijn: behoeftig, bezitloos, nooddruftig, schraal.
Hoe gebruik je arm in een zin?
Voorbeeld: “Hij zwaaide met zijn arm toen hij de aandacht van de politie wilde trekken.”
Etymologie
300px|thumb|right|arm
Uitdrukkingen
- arm in arm lopen — gearmd lopen (met de rechterarm van de ene persoon om de linkerarm van de andere persoon)
- de armen ter hemel heffen — als uiting van verdriet of woede, om Gods hulp of wraak aan te roepen
- de lange arm der wet — de verregaande macht van de wet
- Hij loopt met zijn ziel onder zijn arm.Hij zit met zijn ziel onder zijn arm. — Hij verveelt zich, hij is verdrietig.
- iemand een arm geven — iemand aan de arm nemen, de arm ter steun aanbieden
- iemand in de armen vliegen — vol emotie iemand omarmen
- met zijn armen over elkaar zitten — de onderarmen gekruist voor de borst hebbenmoedeloos zijnniets doen
- zich uit iemands armen losrukkenzich uit iemands armen losscheuren — zich met moeite, tegenzin uit iemands omhelzing losmaken