armleuning

vrouwelijk (de)/ˈɑrᵊmˌlønɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van een meubelstuk (vooral een stoel of een bank) waarop men de arm kan laten rusten
    Een stoel met armleuning.
    Koning Palet zweeg een ogenblik. Zijn handen lagen naast hem op de armleuningen van de Troon. 'Toch,' zei hij, 'willen wij hem een eind op weg helpen. Daarom vraag ik vrijwilligers om met hem mee te gaan naar de plaats die wij kennen als de Tweesprong.' {{Aut|Herzen, Frank
    'Well, daar zijn we dan,'constateerde hij een beetje overbodig terwijl hij plaatsnam in een van de rare bamboefauteuils en zijn ene been over de armleuning gooide.

Vertalingen

Engelsarmrest
Fransaccoudoir
DuitsArmlehne
Spaansbrazo, apoyo para el brazo