artsenpraktijk

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gebouw of ruimte waar een of meer dokteren werken
    Verderop in een zijstraatje, waar je nog diep wegzakt in de modder, staat Athina de binnenplaats van haar mans artsenpraktijk, die ook leeg is, schoon te vegen. Hun familie heeft een oom verloren, deze middag is de begrafenis. Verdriet en woede klinken in haar woorden door.
    Zo betrapte de Oostenrijkse politie tijdens de WK langlaufen de eerder genoemde Max Hauke op zijn hotelkamer met een infuus in zijn arm en viel de Duitse politie in Erfurt de artsenpraktijk van Schmidt binnen. Vijf mensen werden gearresteerd.

Vertalingen

Engelsdoctor's practice