asceet

mannelijk (de)/ɑ'set/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die zich aan godsdienstige praktijken en boetedoeningen wijdt en zeer sober leeft

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘iemand die zich op godsdienstige gronden beperkingen oplegt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824

Vertalingen

Engelsabstainer
DuitsAsket, Asketin
Spaansasceta