au pair
mannelijk/vrouwelijk (de)/oˈpɛːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) jongere die in een buitenlands gezin als vergoeding voor kost en inwoning huishoudelijke werkzaamheden verricht
Etymologie
*van """, in de betekenis van ‘jongere die in buitenland tegen kost en inwoning huishoudelijk werk doet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1986
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek