auto

mannelijk (de)/ɑʊ̯to/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer, techniek (verkeer)(techniek) voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
    Ik ga nooit met de auto naar mijn werk.
    Gemiddeld heeft elk huishouden een auto.[https://www.borne.nl/sites/default/files/koersnota_parkeren_borne.pdf Koersdocument parkeren Borne 2012-2020], januari 2013
    Het was nog donker toen Jack arriveerde om mij met zijn auto naar de Mexicaanse grens brengen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘wagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899

Vertalingen

Engelscar, automobile
Fransvoiture, auto
DuitsAuto
Spaanscoche, automóvil, carro
Italiaansmacchina, automobile, auto
Portugeescarro
Russischмашина
Japans
Arabischسيارة
Turksaraba
Poolssamochód
Zweedsbil
Deensbil