autocar
mannelijk (de)/ˈɑutoˌkɑr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken, touringcarTegelijkertijd zien we de bus als vervoermiddel naar de pistes en loipen in de Alpen belangrijker worden. Een jaar of wat geleden wilden wintersporters nauwelijks in zo'n autocar stappen, wat wel merkwaardig was omdat je op geen enkele manier zo gerieflijk tot voor je hotel of appartement wordt gebracht.
- (verouderd) voertuig dat door een eigen motor wordt aangedrevenDaar de Kampioen verwacht dat er weldra ook in ons land liefhebbers voor autocars (zich zelf voortbewegende rijtuigen) zullen worden gevonden, heeft een harer redacteuren dezer dagen aan een hoofdambtenaar te Rotterdam gevraagd welke bepalingen voor dat nieuwerwetsche voertuig zullen gelden. (…) Hij deelde ons mede, dat reeds door eene maatschappij aanvrage was gedaan met een autocar in de stad te mogen rijden.
Etymologie
*[2] van "autocar" "automobiel, motorvoertuig"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek