autoradio

mannelijk (de)/ˈotoˌradiˌjo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. in een auto ingebouwde radio (vaak tevens voorzien van cd-speler etc.)
    In de spreektaal heeft men het nog steeds over de autoradio, maar in de praktijk is het ondertussen een multimediaal instrument, dat ook een functie kan hebben in telefonie en navigatie
    De autoradio staat hard aan. Eén van de mannen zit in de auto. Een paar anderen staan er omheen. Als er meisjes langs komen, fluiten of roepen ze naar hen. {{Aut|Rothfusz, Jacqueline

Vertalingen

Engelscar radio