bad
onzijdig (het)/bɑt/
Wat is de betekenis van bad?
bad betekent: (sanitair), (techniek) voorwerp waarin men zich wast met water, meestal in de vorm van een vat [1] of kuip en gemaakt van hout of een harder materiaal, zoals steen of ijzer
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sanitair), (techniek) voorwerp waarin men zich wast met water, meestal in de vorm van een vat [1] of kuip en gemaakt van hout of een harder materiaal, zoals steen of ijzer
- (sanitair) een bad [1] nemen het zich "baden"
- (natuurkunde) hoeveelheid water of ander medium waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
Voorbeelden van "bad" in een zin
- Wij hebben thuis een heerlijk ligbad waarin je lekker kunt relaxen na een dag hard werken.
- 'Ik heb het bad voor u laten vollopen,' zei ze, haar ogen afwendend voor Olives naaktheid.
- Per ongeluk had ik het bad laten overlopen toen ik even weg was gedommeld op het kingsize motelbed.
- Ben je al klaar met je bad?
- Het metaal werd gereinigd in een zuurbad.
Etymologie
* In de betekenis van ‘kuip, water waarin men zich baadt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsbathtub, bath tub, tub
Fransbain
DuitsBadewanne, Tauchbad
Spaansbañera
Italiaansbagno
Poolskapiel
Zweedsbadkar
Deensbadekar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek