bamboe
mannelijk (de)/ˈbɑmbu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor reuzengrassoorten uit de onderfamilie , afkomstig uit Azië waarvan de scheuten van sommigen eetbaar zijnBamboe is het voedsel van de reuzenpanda.
- stok gemaakt van bamboeDe ondeugende jongen kreeg slaag met het bamboetje van zijn vader.
Etymologie
* Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘grasachtige plantengeslachten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596
Vertalingen
Engelsbamboo
Fransbambou
DuitsBambus
Spaansbambú
Italiaansbambù
Portugeesbambu
Russischбамбук
Japans竹
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek