banen

/ˈbanə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
    Hij heeft zich een weg door het oerwoud gebaand.
    Met onze wandelstokken baanden we ons een weg door de dichtbegroeide struiken. Er was duidelijk een hele tijd niemand door deze ongerepte natuur heen gelopen.
    ‘Opzij, opzij. ’ Martina gedroeg zich als een menselijke stormram en baande zich een weg door de drommen toeristen die een glimp van hetgeen zich afspeelde wilden opvangen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘een weg maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Vertalingen

Engelsclear a path
Fransse frayer
Duitssich einen Weg bahnen
Spaansabrirse camino, abrirse paso