barbecue
mannelijk (de)/ˈbɑrbəkju/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) apparaat waarop vlees kan worden bereid door het op een rooster boven een warmtebron te verhitten‘Wat we vangen kun jij dan op de barbecue leggen,’ meldde Max.
- feestelijke bijeenkomst waar men samen vlees roostert en opeetWat verder stonden lange tafels met bijgerechten; koud gevogelte, groenten, compôte. En nog wat verder was een tent, die een bar bleek te bevatten alsof er geen geheelonthouderswet bestond. Een onvervalschte „barbecue”, gelijk de Amerikanen zulk een partij noemen.Vandaag worden spelletjes gespeeld. Er komen ook nog een playbackshow en een barbecue. Vuurkorven, lampjes en een waslijn met wat sokken en kleren, maken het vakantiegevoel compleet.
Etymologie
*van het Amerikaans e "barbecue", uit het Spaans barbacoa, een leenwoord uit de taal van de Arawaks brabacot 'een techniek om vlees te roken' (ook de direkte ontleningsbron van brabakoto "barbecuen")
Vertalingen
Engelsbarbecue, barbecue
Fransbarbecue, barbecue
DuitsGrill, Barbecue, Grillparty
Spaansbarbacoa, parrillada
Italiaansbarbecue, barbecue
Russischшашлычница
Zweedsutegrill, grillfest
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek