bededag

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dag dat het burgerlijk of kerkelijk gezag oproept tot gezamenlijk bidden
    En dan toch dankdag voor gewas en arbeid? In vroeger eeuwen riep de overheid regelmatig op tot een zogenoemde dank- én bededag. Predikanten lazen de brief van de kansel en riepen enerzijds op tot dankzegging, maar tegelijk tot verootmoediging en bekering.