bededag
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dag dat het burgerlijk of kerkelijk gezag oproept tot gezamenlijk biddenEn dan toch dankdag voor gewas en arbeid? In vroeger eeuwen riep de overheid regelmatig op tot een zogenoemde dank- én bededag. Predikanten lazen de brief van de kansel en riepen enerzijds op tot dankzegging, maar tegelijk tot verootmoediging en bekering.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek