bedeesdheid

vrouwelijk (de)/bə'desthɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het weinig assertief zijn; het slecht opkomen voor de eigen belangen
    Blijft de vraag waarom de havengemeenschap de nautische veiligheid niet nadrukkelijker als troefkaart speelt? Die bedeesdheid is vooral veelzeggend over de relatie tussen haven en stad. Hoe het ook zij, de benzine-industrie blijft in de Amsterdamse haven voorlopig 70 procent van de doorvoer bepalen, alle energietransities ten spijt.

Etymologie

* afleiding bedeesd

Vertalingen

Engelsbashfulness, timidity, shyness