schroomvalligheid

vrouwelijk (de)/sxromˈvɑləxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men verlegen is
    Hij leek me van nature zelfverzekerd, maar stelde zich met enige schroomvalligheid aan ons voor.
  2. iets wat getuigt van verlegenheid

Etymologie

* afleiding van schroomvallig

Vertalingen

Engelstimorousness, timidity