onzekerheid

vrouwelijk (de)/ɔnˈzekərˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet (helemaal) zeker zijn
    Hij twijfelt altijd want hij heeft last van te grote onzekerheid.
    Mijn onzekerheid werd steeds intenser en instinctief had ik nog maar één behoefte: vluchten, weg uit de bergen.
    Maar Christa vond tegelijkertijd dat er een groot en ongekend potentieel was voor zo'n populistische partij, op dit moment zwierven er misschien een miljoen mensen in totale onzekerheid rond.
  2. de mate waarin meting en het gemetene van elkaar kunnen afwijkingen
    Hij is 1.80 meter lang met een onzekerheid van 1 cm.

Etymologie

*afgeleid van onzeker

Vertalingen

Fransincertitude
Spaansincertidumbre, indeterminación, inseguridad