bedrijf

onzijdig (het)/bəˈdrɛif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijfskunde (bedrijfskunde) organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
    De melkfabriek was een bedrijf dat het land voorzag van melkproducten en de melk van de boeren kocht.
    Een doodgewone veertiger met een eigen bedrijf, twintig jaar getrouwd, vader van drie, die elke zondag het gras maait.
    Lauritzen & Lauritzen dit behartigenswaardige bouwproject voor het algemeen belang aan zou nemen, kon hun tegelijkertijd een concessie worden verleend op zekere gemeentegrond waar het bedrijf een wooncomplex voor eigen rekening kon bouwen, vooropgesteld dat ze het zelf zouden financieren.
  2. economie (economie) een economische eenheid, gericht op het maken van winst
    Het grote bedrijf maakte veel winst zodat de aandelenkoers omhoog ging.
  3. juridisch (juridisch) een zelfstandige rechtsvorm met winstoogmerk
    De notaris stelde de contracten op voor de oprichting van het nieuwe bedrijf.
  4. techniek (techniek) het in werking zijn van iets
    Na vijf jaren van bouwen werd de nieuwe brug in bedrijf gesteld.
    Met een druk op de knop werd het nieuwe systeem in bedrijf gesteld.
    Het gaat Jetten om de gevolgen voor het onderwaterleven tijdens de bouw. Vissen en zeezoogdieren kunnen bijvoorbeeld last hebben van het heien. Maar ook als de molens in bedrijf zijn, kunnen er gevolgen zijn voor dieren zoals vogels en vleermuizen, die gehinderd worden door de draaiende wieken.
  5. toneel (toneel) een deel van een toneelstuk
    In het tweede bedrijf vertelde hij zijn verhaal.

Etymologie

* In de betekenis van ‘deel van een toneelstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1704

Vertalingen

Engelscompany, on, act
Fransentreprise
DuitsBetrieb, Akt, Aufzug
Spaansempresa, acto
Italiaansatto