behaaglijkheid
vrouwelijk (de)/bəˈhaxləkˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het aangenaam, gerieflijk en gezellig zijnEn weer bedacht hij dat zo'n strenge behaaglijkheid je vast in de stemming zou brengen om je met plezier aan geduldige, vruchtbare arbeid te wijden.Het winkelende publiek moet ook visueel in de watten worden gelegd, het liefst in een omgeving waar het zich met een zekere behaaglijkheid kan voortbewegen.
- iets aangenaams, gerieflijks en gezelligs
Etymologie
* afleiding van behaaglijk
Vertalingen
Engelscosiness, snugness, pleasantness
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek