behagen

onzijdig (het)/bəˈhaɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) met meewerkend voorwerp welgevallig zijn
    Het behaagde hem 's avonds eens een cognacje te drinken bij de open haard.
    Het behaagt de koning om te benoemen .... zijn de eerste woorden die uitgesproken worden bij de lintjesregen.
    Gij behaagt den Heere niet.
zelfstandig naamwoord
  1. het zich op zijn gemak voelen, het plezier aan iets beleven

Etymologie

*Afgeleid van het verouderde werkwoord hagen

Vertalingen

Engelsplease
Fransplaire, être agréable
Duitsbehagen, gefallen
Spaansagradar, complacer, placer