bellen
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɛlə(n)/
Wat is de betekenis van bellen?
bellen betekent: (inerg) de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen
Betekenis
werkwoord
- (inerg) de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen
- door middel van een bel een signaal geven
- (ov) iemand opbellen, telefoneren naar of met iemand
- door middel van een bel roepen
zelfstandig naamwoord
- (kaartspel) een van de vier Duitse kleuren in het kaartspel
Voorbeelden van "bellen" in een zin
- Kun jij even bellen aan de deur?
- Ja, ik zal je straks weer bellen.
- Door het tijdsverschil kwam het er dikwijls op neer dat ik ’s ochtends belde en met mijn neus in het avondeten van de familie viel.
- Hij vertelde dat vorig jaar een vrouw stiekem een uur op zijn telefoon naar Europa had gebeld waardoor hij een maand later een rekening van meer dan 150 dollar dollar had gekregen.
Vertalingen
Engelsring, ring, ring up
Franssonner, sonner, appeler
Duitsklingeln, klingeln, anrufen
Spaansllamar, tocar el timbre, llamar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek