beperktheid
vrouwelijk (de)/bə'pɛrkthɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het maar bescheiden (geestelijke, lichamelijke, financiële) middelen bezittenHet tekent de grilligheid van de 19-jarige Amsterdammer. Het ene moment laat hij geniale dingen zien en maakt hij indruk met zijn sterkte en snelheid, het andere moment verliest hij de bal na een knulligheid en komt zijn technische beperktheid aan het licht.
- de zaken die men niet tot zijn beschikking heeft
Etymologie
* afleiding van beperkt
Vertalingen
Engelssmallness, limitation
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek