beploegen

/bəˈpluɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, landbouw (ov) (landbouw) geschikt maken voor de verbouw van gewassen door de bovenste bodemlaag te keren
    Wie hier loopt, moet houden van ver en vlak en uitgestrekt, dat wel. De tocht voert langs enorme lappen te beploegen akkergrond, bespikkeld met meeuwen.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) bewerken of met inspanning doorkruisen
    Aan de muur van dit instituut hingen foto’s van gehavende Servische heiligdommen, platgebrande kerken en kloosters, kerkhoven die waren omgewoeld en met granaten beploegd.

Etymologie

*afgeleid van "ploegen"