Berg

mannelijk (de)/ˈbɛrᵊx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) een substantiële opzichzelfstaande verhoging van de aardkorst
    In het platte Nederland noemen we iets al snel een berg.
    Het is zeven kilometer klimmen naar 1148 meter en er zitten huiveringwekkende stijgingspercentages tussen, van boven de 20 procent. Het is de vierde keer dat de Tour de berg aandoet, na etappes in 2012, 2014 en 2017.
    'Daar drijft ze!' Lot stort zich van de berg als een paraglider op zoek naar opwaartse lucht.
  2. figuurlijk, informeel (figuurlijk), (informeel) een grote hoeveelheid
    Een berg geld.
    Sarah bleef haar wandelingen maken; inmiddels lag er een hele berg artisjokken in de keuken.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands berch, ontwikkeld uit Oergermaans *berga- ‘berg, heuvel’, bij Indo-Europees *bʰerǵʰ- ‘zich verheffen’, waartoe ook Russisch béreg ‘oever’, Hittitisch parku- ‘hoog’, parkiya- ‘zich verheffen, groeien’, Tochaars pärk- ‘opkomen’ en Armeens berj ‘hoogte’ behoren. Evenals Nederduits Barg, Duits Berg, Fries berch en Engels (vaktaal) barrow ‘grafheuvel’.

Uitdrukkingen

  • iemand gouden bergen beloveniemand veel moois beloven maar de beloften niet nakomen
  • als een berg ergens tegenop zienverwachten dat iets heel moeilijk of vervelend zal zijn
  • Bergen kunnen verzettenveel (in hoeveelheid) werk kunnen doen
  • als de berg niet naar Mohammed komt, komt Mohammed wel naar de berg
  • als Mohammed niet naar de berg komt, moet de berg maar naar Mohammed

Vertalingen

Engelsmountain, mountain
Fransmontagne
DuitsBerg, Berg, Haufen
Spaansmontaña, monte, montón
Italiaansmontagna
Portugeesmontanha, monte
Russischгора
Chinees
Japans
Koreaans
Arabischجَبَل‎
Turksdağ
Poolsgóra
Zweedsberg