hoop

mannelijk (de)/hop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stapel
    Op de grote hoop gooien.
  2. een grote hoeveelheid
    Een hoop lawaai.
    Midden in de nacht schrok ik wakker doordat de deur met een klap opensloeg. Twee jongens sprongen verschrikt de hut in, een hoop commotie veroorzakend.
  3. een verwachting van iets wenselijks
    Door een kier onder de deur kwamen er steeds sneeuwvlokken naar binnen gewaaid en ik voelde mijn slaapzak langzaam vochtig worden. Bezorgd en koud wikkelde ik mijn regenjas om mijn voeten in de hoop droog te blijven.
    Het was na al deze jaren nog steeds een gunst om hier alleen met haar te zitten, zo lang nadat hij in zijn jeugd heen en weer geworpen was tussen hoop en vrees. Niets had erop gewezen dat het mogelijk zou zijn.

Etymologie

* In de betekenis van ‘verwachting’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • De hoop is de bodem ingeslagenHier is niet hoop, maar bodem het onderwerp; letterlijk wordt dus de vergelijking gemaakt met een van onder lekkend vat, zie bijv. [https://onzetaal.nl/taalloket/de-bodem-ingeslagen-in-geslagen#:~:text=In%20'Onze%20hoop%20werd%20de,'iemands%20hoop%20helemaal%20vernietigen'. Onze Taal].Er is geen hoop meer op een goede afloop
  • Iemand valse hoop gevenIemand in de waan laten dat het nog goed kan komen, terwijl dat niet zo is

Vertalingen

Engelsheap, pile, stack
DuitsHaufen, Stapel, Menge
Spaanscúmulo, pila, montón
Italiaanssperanza
Poolsnadzieja
Deenshåb