beschouwen

/bəˈsxɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bekijken als, beoordelen, vinden
    Van lieverlede werd hij echter beschouwd als de 'vriend der kinderen'. In Nederland leest men over het St. Nicolaasfeest voor het eerst in het jaar 1360. De koorknaapjes in Dordrecht kregen er vrij voor. In optocht trokken zij door de stad en bedelden, met een smekend gebaar, hun bisschopsgeld bij elkaar. Maar in de zeventiende eeuw werd dit verboden!
    Toen ik zei dat ik helaas nog niet wist hoelang ik van plan was te blijven en dat ik hoopte dat dat geen probleem zou zijn, wuifde hij mijn zorgen weg met een elegant handgebaar en bezwoer hij mij dat het een eer was voor het etablissement en een persoonlijk genoegen voor hemzelf om mij als gast te mogen beschouwen en dat hij alleen maar kon wensen dat deze vreugde langdurig zou mogen zijn.
  2. refl (refl) denken over
    Hij beschouwde zich als de ideale kandidaat.
  3. ov (ov) (arch.) aandachtig kijken naar
    Ze beschouwde het juweel in alle glorie.

Etymologie

*Afgeleid van schouwen .

Vertalingen

Engelsconsider, regard, consider
Fransconsidérer, considérer
Duitsbetrachten
Spaanscontemplar