besparen

/bəˈsparə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) minder van iets gebruiken of verbruiken
    Ik bespaar benzine door minder snel te rijden.
    Op zich had hij de mars kunnen afbreken wanneer hij de tellende kameraden bij de Djurgàrdsbron was gepasseerd en naar huis kunnen lopen, of zelfs een taxi kunnen nemen om tijd te besparen.
  2. inerg, economie (inerg), (economie) ~ op: minder geld uitgeven, bezuinigen
    De overheid zal moeten besparen op de onderwijsuitgaven.
    Het is lastig voor hardwerkende tweeverdieners, maar een korte periode alleen is vaak wel mogelijk met langetermijnplanning, creatief besparen en ouderwets verlof.
  3. ov, figuurlijk (ov), (figuurlijk) niet met iets geconfronteerd willen worden, zorgen dat iets niet gebeurt of hoeft te gebeuren.
    Bespaar me je geleuter!
    Als je nu gewoon doet wat ik zeg bespaart me dat een hoop energie.

Etymologie

*Afgeleid van sparen .

Uitdrukkingen

  • niets is jullie bespaard geblevenalles wat vervelend is hebben jullie moeten meemaken

Vertalingen

Engelssave, save
Franséconomiser, épargner, économiser
Duitssparen, einsparen, sparen
Spaansahorrar, economizar, ahorrar
Poolsoszczedzać, oszczedzać