bespringen

/bəˈsprɪŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aanvallen door er op te springen
    De tijger bespringt onverhoeds zijn prooi
    De naakte bewoner schroomde echter niet om de inbreker te bespringen en deze vast te houden.
  2. ov, seksualiteit (ov) (seksualiteit) gretig benaderen voor seks
    Mannelijke bruinvissen bespringen soms vrouwtjes die boven water komen om adem te halen en proberen hun penis tijdens zo’n sprong onmiddellijk in de vagina te steken.

Etymologie

*van Middelnederlands """, op te vatten als afgeleid van "springen"