bezetting

vrouwelijk (de)/bəˈzɛtɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
    Tijdens de bezetting van 1940 - 1945 waren de Duitsers de baas in Nederland, na de bevrijding waren de Nederlanders weer baas in eigen land.
  2. het aantal van elk type instrument dat in een orkest meespeelt
    Het orkest speelde in de kleine zaal in een beperkte bezetting.
  3. de spelers die meedoen aan een toneelstuk, musical, film of opera de cast
    Deze film heeft een internationale bezetting en zo hopen de producenten dat hij in veel landen succesvol zal zijn.
  4. exclusief gebruik
    Het zal u zijn opgevallen dat het hotel hier en daar sporen vertoont van achterstallig onderhoud. We hebben nu eenmaal niet zoveel gasten meer als vroeger. Ook daaraan wil meneer Wang iets doen. Hij streeft naar een volle bezetting.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van bezetten .

Vertalingen

Engelsoccupation
Fransoccupation
DuitsBesatzung, Besetzung, Besetzung
Spaansocupación
Poolsokupacja, skład