bezighouden

/ˈbezəxˌhɑudə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de aandacht ergens op gericht houden
    Tijdens de eerste paar weken van mijn tocht bleef de vraag mij bezighouden of alleen op pad gaan egoïstisch was? Ja, mijn solotocht was in sommige opzichten zeker egoïstisch.
    Omdat daar geen bruggenbouw mogelijk was geweest in de wintertijd. Dan moest je je uitsluitend bezighouden met het werken aan de tunnels.
  2. ov (ov) iets te doen geven
    Hij hield zo de kinderen even bezig.
    Met alle examens voor de boeg werden de studenten flink beziggehouden.
  3. refl (refl) zich ~ met: tijd en inspanning besteden aan, zich ophouden met
    Zij hielden zich bezig met het ontwerp van nieuwe zonnecellen.
    Een serieuze bezigheid waarmee alleen de mannen zich bezighielden.

Uitdrukkingen

  • zich bezighouden met iets

Vertalingen

Engelsoccupy, employ
Fransoccuper, occuper
Duitsbeschäftigen, beschäftigen
Spaansocupar, entretener, ocuparse
Deensbehandle