bezit

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. datgene wat men bezit of heeft
    De auto was niet zijn bezit.
    Ik geef haar een knikje om te laten weten dat ik haar heb gehoord, en ga bij mezelf na: wat is eigenlijk houden van? Is het dat de ander doet wat jij wilt? Of juist dat je kunt accepteren dat de ander iets doet wat jou niet aanstaat en dat je toch aanwezig blijft, in liefde? Ik begrijp heel goed wat Bibi bedoelt, maar ik kan het niet goed rijmen dat zij deze wijsheid bezit en ernaar handelt, terwijl ik op mijn zesenveertigste nog steeds in de val trap die ik het 'Anne Frank-telefoontje' noem.
  2. juridisch (juridisch) het houden of genieten van een goed, dat iemand in persoon, of door een ander in zijn feitelijke macht heeft, alsof het aan hem toebehoort
    „Mam, je bezit 51 procent van alle aandelen! Hoe vinden we ooit een partij die dat zomaar ophoest?” Lauren kijkt me cynisch aan.
    Zelf waren ze ook in het bezit van een computer met internetaansluiting.

Vertalingen

Engelspossession, possession
Franspossession
DuitsBesitz
Spaansposesión, propiedad, posesión
Italiaanspossedimenti, possesso
Portugeesposse
Russischвладе́ние
Japans所有
Turkszilyetlik
Poolsposiadanie
Zweedsbesittning
Deensbesiddelse