bijsmaak

mannelijk (de)/ˈbɛismak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een extra smaak die er eigenlijk niet bij hoort
    De wijn had een zure bijsmaak.
  2. figuurlijk (figuurlijk) een minder aangename meewerkende factor
    Kritiek met een bijsmaak van leedvermaak.

Vertalingen

DuitsBeigeschmack, Beigeschmack
Spaansresabio, resabio