binding

vrouwelijk (de)/ˈbɪndɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) het minimum in potentiële energie dat bestaat bij een bepaalde onderlinge afstand tussen twee of meer atomen waardoor deze in elkaars nabijheid gehouden worden
    Chemische bindingen kunnen tussen twee atomen aanwezig zijn, maar zij kunnen ook meer dan twee atomen betreffen.
  2. sport (sport) bevestiging van een skischoen op een ski, skibinding
    Omdat de binding niet op tijd losschoot heeft hij zijn been gebroken.
  3. contacten, banden
    De corrupte onderzoeker had bindingen met de industrie.
    Deze politieke partij heeft bindingen met de vakbond.

Etymologie

* van binden

Vertalingen

Engelsbond, tie
Spaansfijación, fijación de esquí