binding
vrouwelijk (de)/ˈbɪndɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) het minimum in potentiële energie dat bestaat bij een bepaalde onderlinge afstand tussen twee of meer atomen waardoor deze in elkaars nabijheid gehouden wordenChemische bindingen kunnen tussen twee atomen aanwezig zijn, maar zij kunnen ook meer dan twee atomen betreffen.
- (sport) bevestiging van een skischoen op een ski, skibindingOmdat de binding niet op tijd losschoot heeft hij zijn been gebroken.
- contacten, bandenDe corrupte onderzoeker had bindingen met de industrie.Deze politieke partij heeft bindingen met de vakbond.
Etymologie
* van binden
Vertalingen
Engelsbond, tie
Spaansfijación, fijación de esquí
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek