bindster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, verouderd (beroep) (verouderd) vrouw die het gemaaide graan bijeen bindt
    Boerenkielen, knipmutsen en accordeonmuziek maken de Twentse gemoedelijkheid compleet. Even verderop zijn Jan Busscher, Bennie Veldhuis en Gerard Wassink en bindster Annie Busscher druk met de oogst. Maaien met de zig, dorsen op met de knuppel op de vloer en het kaf van het koren scheiden in de kafmolen. Tubantia Marthy Rothe 22-07-12 [https://www.tubantia.nl/enschede-e-o/de-tijd-vliegt-op-oogstdag-hof-espelo~af79761e/ De tijd vliegt op oogstdag Hof Espelo]

Etymologie

* van binden