blauwe
/ˈblʌʊʋə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een voorwerp, kledingstuk e.d. dat blauw is
- een persoon die in het blauw gekleed, blauwgekleurd is
- (figuurlijk) politieagent
- (maatschappij) Indo, met name iemand van gemengd Europees-Indische afkomst.Ik klauter over de rotsblokken, tot ik op het hoogste punt kom, waar de halve maan zijn blauwe schijnsel over het volgende dal legt.Hij draagt een verwassen blauwe kiel die tot zijn kin is dichtgeknoopt.Haar blik is nog steeds gericht op het blauwe oppervlak.
Etymologie
*[4] Van onbekende herkomst, oorspronkelijk een neerbuigende benaming voor een ambitieuze of ingebeelde persoon van (gedeeltelijk) Indonesische afkomst, in zwang geraakt in de periode 1945-1950.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek