blauwsel

onzijdig (het)/'blɔusəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bleekmiddel dat men gebruikt om de witte was stralend wit te krijgen
    Gehuld in klederdracht gaven de leden een demonstratie van hoe het wassen er hier tot 1965 aan toeging. Hoewel de dames hun wasgoed in die tijd ook niet altijd even schoon kregen - een zakje blauwsel zorgde ervoor dat het goed er stralend wit uitzag - was een miscommunicatie gisteren de reden dat na het bleken de was nog een keertje extra moest worden gespoeld.
  2. blauwe kleurstof

Etymologie

* afleiding van blauwen