blindeman

mannelijk (de)/ˈblɪndəˌmɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die niet kan zien of doordat hij blind is of omdat hij geblinddoekt is
    PvdA-Kamerlid Mariëtte Hamer noemde Azmani 'een blindeman omdat hij desondanks met een initiatiefwet wil komen. Ook CDA'er Pieter Heerma toonde zich 'een beetje verrast'. Tubantia 13-03-14 [https://www.tubantia.nl/binnenland/vvd-wekt-verbazing-kamer-met-kopie-van-asschers-wetsvoorstel~aef18959/ VVD wekt verbazing Kamer met kopie van Asschers wetsvoorstel]
    Het personage Osewoudt is de personificatie van deze trieste reddeloosheid. Hij handelt als een blindeman, die -zonder het zelf te weten- gedreven wordt door infantiele driften. Door de oorlog kan Osewoudt eindelijk zijn diepste complexen waarheid maken. Maar zijn pogingen tot zelfverwerkelijking lopen na een spoor van verwoesting uit op zelfvernietiging. Zelf noemt Osewoudt zijn handelen logica. Hermans schetst hier een dieptragische antropologie, van een mens die zichzelf totaal verkeerd beoordeelt. Reformatorisch Dagblad Albert van Zanten 24-09-2008 [https://www.rd.nl/boeken/leven-zonder-vrijheid-goedheid-en-waarheid-1.1190941 Leven zonder vrijheid, goedheid en waarheid]