bloheid
vrouwelijk (de)/ˈblohɛit/
Wat is de betekenis van bloheid?
bloheid betekent: terughoudendheid of voorzichtigheid in de omgang met mensen, vooral onbekenden, door innerlijke onzekerheid
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- terughoudendheid of voorzichtigheid in de omgang met mensen, vooral onbekenden, door innerlijke onzekerheid
- (pejoratief) overdreven behoedzaamheid uit angst voor gevaar
Voorbeelden van "bloheid" in een zin
- Buiten Haarlem zou hij niet durven gaan. Dat was zijn bloheid, zijn vrees voor alles wat hij niet kende.
- Verscheen voor de eerste maal Annetals dorpeling met hooggekleurde wangenop 't Cercle, en zat ze er stom - na weinig zuchten werdhaar keursje ruim genoeg, haar tong vrij. Op 't Concertde week daaraan... was bloheid reeds vervangendoor spraakzaamheid.
- Elke lauwheid tegenover die dreiging betekent angst en bloheid, Johan de Witt heeft eens gezegd, dat ‘de bloode ende vertsaechde herten geenen beteren deckmantel en hebben als het voorwensel van politycke voorsigchtigheydt’.
Etymologie
*van Middelnederlands "blootheit", op te vatten als afgeleid van "blo"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek