boel

mannelijk (de)/bul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verzameling van alle zaken
    Doordat ze zo ontzettend veel gedronken hadden, begonnen ze de hele boel af te breken.
  2. informeel (informeel) de gang van zaken
    Doe geen zaken met hem, hij probeert altijd de boel te belazeren!
    Maar als de boel uit de hand loopt, ga ik niet zitten wachten op Europa.”Thijs Niemantsverdriet NRC 19 maart 2016
    Niemand had ooit gezien wie die linten om de bomen bond - Adrián was blijkbaar een van hen geweest - maar dat er mensen bestonden die vastbesloten waren om die bomen ermee te tooien, wees op een onderstroom van opstandigheid, een verlangen om de boel op zijn kop te zetten.
  3. informeel (informeel) een grote en meestal ook onoverzichtelijke hoeveelheid van iets
    Zo, er ligt weer een boel werk op ons te wachten.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) geliefde
  2. verouderd, pejoratief (verouderd) (pejoratief) minnaar in een overspelige of immorele relatie
zelfstandig naamwoord
  1. achtste maand van het jaar, in oktober-november; oude benaming, later marchesjvan (1 Kon. 6:38)

Etymologie

*[C] Uit het Hebreeuws, letterlijk: 'opbrengst'

Uitdrukkingen

  • De boel de boel latenEen kwestie laten zoals die is
  • Een dolle boelEen hoop vrolijke drukte
  • Een dooie boelIets waar geen enkele levendigheid in zit (een saaie plek e.d.)

Vertalingen

Engelsaccumulation, pile, quantity
Spaansmontón, pila