boel
mannelijk (de)/bul/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een verzameling van alle zakenDoordat ze zo ontzettend veel gedronken hadden, begonnen ze de hele boel af te breken.
- (informeel) de gang van zakenDoe geen zaken met hem, hij probeert altijd de boel te belazeren!Maar als de boel uit de hand loopt, ga ik niet zitten wachten op Europa.”Thijs Niemantsverdriet NRC 19 maart 2016Niemand had ooit gezien wie die linten om de bomen bond - Adrián was blijkbaar een van hen geweest - maar dat er mensen bestonden die vastbesloten waren om die bomen ermee te tooien, wees op een onderstroom van opstandigheid, een verlangen om de boel op zijn kop te zetten.
- (informeel) een grote en meestal ook onoverzichtelijke hoeveelheid van ietsZo, er ligt weer een boel werk op ons te wachten.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) geliefde
- (verouderd) (pejoratief) minnaar in een overspelige of immorele relatie
zelfstandig naamwoord
- achtste maand van het jaar, in oktober-november; oude benaming, later marchesjvan (1 Kon. 6:38)
Etymologie
*[C] Uit het Hebreeuws, letterlijk: 'opbrengst'
Uitdrukkingen
- De boel de boel laten — Een kwestie laten zoals die is
- Een dolle boel — Een hoop vrolijke drukte
- Een dooie boel — Iets waar geen enkele levendigheid in zit (een saaie plek e.d.)
Vertalingen
Engelsaccumulation, pile, quantity
Spaansmontón, pila
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek