boeman

mannelijk (de)/bumɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
    Veel kinderen geloven in boemannen.
  2. iemand die de schuld is van alles
    Ze voelde zich schuldig. Dat dit nergens op sloeg deed niet ter zake. Gevoelsmatig was zij de boeman.

Etymologie

* In de betekenis van ‘afschrikwekkend persoon’ voor het eerst aangetroffen in 1854

Vertalingen

Engelsbogeyman
Franscroque-mitaine
DuitsButzemann
SpaansCoco, Cuco
Portugeesbicho-papão
Turksumacı