bondage
vrouwelijk (de)/ˈbɔndɪtʃ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (seksualiteit) (sadomasochistische) seks waarbij de partner wordt vastgebonden of op vergelijkbare wijze in zijn of haar bewegingsvrijheid beperkt wordt
Etymologie
*van """, in de betekenis van ‘sadomasochistische omgang met vastgebonden partner’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek