bonze

mannelijk (de)/ˈbɔnzə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overste van een boeddhistische tempel, ook de priester of monnik
  2. informeel (informeel) baas, bobo

Etymologie

*: van "bons" met de uitgang -e, waarbij de sisklank weer stemhebbend wordt zodat de s in een z verandert