bonze
mannelijk (de)/ˈbɔnzə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- overste van een boeddhistische tempel, ook de priester of monnik
- (informeel) baas, bobo
Etymologie
*: van "bons" met de uitgang -e, waarbij de sisklank weer stemhebbend wordt zodat de s in een z verandert
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek