bonzen

/ˈbɔnzə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) bij herhaling slaande, een luid, laag geluid maken
    Zij bonsden hard op de deur en riepen: "open de deur!".
  2. heftig kloppen (van het hart)
    Zijn hart bonsde heftig toen hij zijn geliefde in het oog kreeg.
    De gedachte aan een terugkeer naar de onheilsplek deed haar hart als een bezetene bonzen.

Etymologie

* [2]: bonze met de uitgang -en

Vertalingen

Engelspound