boomwortel

mannelijk (de)/'bomwɔrtəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wortel waarmee een boom vastzit in de grond
    Ik struikelde over een boomwortel of een steen en viel.
    US Open-kampioen Rory McIlroy raakte op zijn derde hole een boomwortel en werd behandeld aan zijn pols. Hij maakte zijn ronde wel af en kwam uit op 70 slagen.

Vertalingen

Engelstree root