boon
mannelijk/vrouwelijk (de)/bon/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten, waarvan men alleen de zaden ofwel de gehele vrucht eet
- (bloemplanten) bepaald soort vlinderbloemige plant met rode, witte of paarse bloemen, , waaruit de eetbare peulvruchten groeien
- (bloemplanten) bepaald soort vlinderbloemige plant met witte bloemen, , witte of paarse bloemen, waaruit de eetbare peulvruchten groeien
Etymologie
*van Middelnederlands "bone", in de betekenis van ‘zaad van peulvrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1210
Uitdrukkingen
- een heilig boontje — iemand die heel braaf is, of zich eerder uit schijnheiligheid zo voordoet
- in de bonen zijn — in de war zijn
- je eigen boontjes doppen — zelfstandig zijn, voor jezelf kunnen zorgen
- ieder boontje geeft zijn toontje
- boontje komt om zijn loontje
- gezegd van iemand die na een misstap zijn verdiende straf krijgt
- Een blauwe boon — een kogel
- Honger maakt rauwe bonen zoet — wanneer iemand echt honger heeft kan die dingen eten die die normaal niet lust
Vertalingen
Engelsbean, haricot
Fransharicot
DuitsBohne
Spaansjudía, alubia, frijol
Italiaansfagiolo, fagiolino
Portugeesfeijão
Japans豆
Koreaans콩
Poolsfasola
Zweedsböna
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek