boord
mannelijk (de)/bɔːrt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (n) (scheepvaart) het dek van een schipIn vroeger tijden was een valreep een touw met knopen waarmee men op het allerlaatste moment aan boord van een afvarend schip kon klimmen.
- (m) (n) (textiel) de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
- (m) oever
- (m) "rand"
Etymologie
* In de betekenis van ‘rand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Uitdrukkingen
- aan/van boord gaan — het schip betreden/verlaten
- aan boord zijn — verblijven in een boot of ander voertuig
- dat boordje moet nog gesteven
- kantje boord — iets dat nog maar net goed ging
- iets goed aan boord leggen — iets moeilijks oplossen
Vertalingen
Engelsboard, collar, shore
Fransbord, bord
DuitsBord, Hemdkragen, Kragen
Spaansborde, bordo, cuello
Poolspokład
Zweedsbord
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek